Tutorial nachtfotografie deel 3: de techniek en instellingen

Nachtfotografie wordt steeds populairder. Met de steeds betere camera’s wordt de nachtelijke hemel ontdekt en gaan natuurfotografen naar buiten om het nachtelijke licht te vangen. Foto’s van sterrenhemels, Melkweg, de maan en sterrensporen prijken op steeds meer tijdlijnen. Maar hoe doe je dat nou in de nacht? Waar moet je zijn? Hoe kun je een goed donkere plek bepalen en waar moet je op letten als je ’s nachts op pad gaat. Wat moet je allemaal meenemen en hoe moet je je camera instellen? In deze driedelige serie rond nachtfotografie beschreef ik vorige week de voorbereiding en je materiaal. In dit deel ga ik in op de instellingen van de camera en in deel 3 neem ik je mee in de wondere wereld van de sterrensporen.

Vorige week beschreef ik de voorbereidingen voor nachtfotografie: waar ga je heen, wanneer ga je op pad en wat neem je mee. We hebben inmiddels een mooie locatie gevonden, het perfecte tijdsmoment bedacht en zijn bepakt en bezakt ter plaatse. Van start dus nu! Maar hoe werkt dat precies… fotograferen in de nacht. Hoe werkt dat met belichting en met scherpstelling? Hoge of lage ISO, sterren als puntjes of streepjes… en dan ook nog eens alles in het pikkedonker. Dat ga ik deze week allemaal behandelen.

Compositie

Dat klinkt logisch en makkelijk maar vergis je niet. In het pikkedonker is het bepalen van een mooie compositie een stuk lastiger dan bij daglicht. Ik heb al beschreven dat je beter niet met wit licht maar een hoofdlampje met een klein rood lichtjes kunt gebruiken. Je optimale nachtzicht bereik je pas na 20 minuten. Rood licht zorgt ervoor dat je pupil niet reageert en je dus geen verstoring hebt van je nachtzicht. Maar dat kleine rode lampje zorgt er ook voor dat je niet bepaald goed om te heen kunt kijken. Heb je wat maanlicht dan is het makkelijker. Als het goed is heb je je plek en compositie al een keer bij daglicht bepaald maar ’s nachts ziet het er toch anders uit. Mooi composities zijn vaak met dode of kale bomen omdat de open structuur van takken mooi afsteekt tegen een sterrenhemel. Ook water kan fraai zijn met reflecties. Ga op zoek naar een mooie compositie en besteedt daar veel tijd aan, dan kun je daarna heerlijk met de techniek aan de slag. Een mooie compositie met landschapselementen zorgt er ook voor dat de foto ‘meer’ wordt dan een foto van sterren. Gebruik de nacht voor je landschapsbeelden.

Een mooie landschappelijke compositie zorgt ervoor dat de nachtelijke sterrenhemel extra is in plaats van het onderwerp.

Cameraopstelling

Eenmaal een mooi compositie gevonden stel je je camera op. Op statief en met draadontspanner. Handig om thuis voor al het statiefplaatje onder je camera te schroeven, draadontspanner te monteren, de juiste lens te monteren en UV filters van lenzen af te halen. Eigenlijk ook een beetje voorbereiding, je zal niet de eerste zijn dit het statiefplaatje (of muntje) in de nacht in de modder laat vallen.

Johan aan de slag in de nacht.. alles heb je bij je maar hoe moet je nu de boel instellen?

Basisinstellingen in de camera

Je begint met een paar basisinstellingen: Camera op M (manual), zie bij ‘belichting‘ waarom. Autofocus uit, dus scherpstelling ook op M (manual), zie verder bij ‘scherpstelling‘. Antibibber (stabilisatie) uit, op statief moet de stabilisatie uit omdat je het risico loopt juist beweging te introduceren. Dus zet je IS, OS, VR of hoe het heet bij jouw lens, uit. Ruisreductie lange sluitertijd uit. Dit is een feature waarbij de camera, bij lange sluitertijden, na afloop van de foto een ‘dark frame‘ maakt. Daarvoor zet hij de sensor onder dezelfde hoeveelheid stroom zonder de sluiter open te zetten. Zo ontstaat er een zwarte foto die onder dezelfde temperatuuromstandigheden is gemaakt als de echte foto met … dezelfde hoeveelheid ruis. Daarna trekt de camera het ‘dark frame’ af van de echte foto zodat de ruis die is ontstaan door de lange sluitertijd wordt verwijderd. Is dat slecht? Zeker niet maar het heeft twee grote nadelen: 1) in sommige gevallen worden kleine sterren ook als ruis gezien en ook verwijderd en dat is wat je niet wil. Maar belangrijker nog is dat 2) iedere foto exact 2x zo lang duurt als de sluitertijd. Een foto van 30″ duurt in totaal 1 minuut voor je weer een foto mag maken. De ruis kun je vaak zelf veel mooier in de nabewerking verwijderen, dus gewoon uitzetten deze instelling. Duurt het langer dan 1″ voor je na afloop van de foto je foto kan bekijken op de camera? Dan staat dit aan, altijd! Het heet overigens van merk tot merk weer anders, zoek even in je manual. Het werken met een dark frame is overigens wel perfect voor het verwijderen van ruis maar dan moet je het dark frame éénmalig zelf maken. Dit komt misschien in een aparte tutorial. Schermhelderheid laag. Je scherm staat helder en geeft veel licht, dat is fijn voor overdag, anders zie je er niets op. ’s Nachts gaat dit echter fout. Omdat je in de nacht met een grote pupil (nachtzicht) kijkt, komt het scherm veel lichter over dan overdag. Sterker nog, het is zó licht dat als je op basis van de foto je belichting instelt, je het risico loopt dat je bij thuiskomst een zwarte foto treft. De foto was te donker maar de combinatie van grote pupilopening in je oog en het hele heldere scherm zorgt ervoor dat je de foto ’s nachts nog goed kan zien. Je kan ’s nachts (eigenlijk ook overdag) nooit de belichting op basis van de foto beoordelen (zie histogram) maar door de schermhelderheid bijna op z’n zwakst te zetten zorg je ervoor dat je oog toch nog een redelijk normaal beeld ziet. Oh ja, tip: zet de schermhelderheid weer op normaal vóór je naar huis gaat. Dat voorkomt dat je de volgende dag tegen een zwart beeld aankijkt.

Dit zie je ’s nachts op de achterkant van je schermpje met optimaal nachtzicht en té helder scherm… veel te licht.

…als je had geanticipeerd met onderbelichting had je een té donkere foto gehad. Het histogram geeft namelijk een prima nachtfoto aan, absoluut niet té licht.

Zet je ’s nachts de helderheid heel laag dan krijg je een beeld wat past bij je nachtzicht en waarbij je veel beter kunt anticiperen.

Het uiteindelijke resultaat van nog steeds dezelfde foto… prima belicht.

Ducttape op de camera. Huh? Waarom? Om dat vreselijke rode lampje af te plakken wat altijd brandt zo lang de camera bezig is met het maken van een foto. Dat rode lampje zie je van heinde en ver en je verstoort ook je collega nachtfotografen. Afplakken dus!

Zelfs met maanlicht irriteert dat rode lampje mateloos… en iedereen ziet je!

Belichting

’s Nachts ‘ziet’ de camera niets. Dat betekent dat de lichtmeter het ’s nacht niet doet. Sterker nog, hij zegt het te doen maar feitelijk geeft hij alleen maar foute waarden aan. Dat heeft te maken met het feit dat de belichtingsmeter geijkt is op een bepaalde verhouding infrarood-/zichtbaar licht. ’s Nachts is er nauwelijks zichtbaar licht maar wel infrarood licht, de verhouding is volledig anders dan waar de camera van uit gaat. Het infraroodlicht wordt door de belichtingsmeter geïnterpreteerd als zichtbaar licht waardoor de camera ‘denkt’ dat er veel meer licht aanwezig is dan er feitelijk aanwezig is. Resumé… je hebt niets aan de belichtingsmeter. Hoe dan wel?

  • Laag diafragmagetal
  • Hoge ISO
  • Lange sluitertijd

Laag diafragmagetal

Hoe lager het getal, hoe groter de opening en hoe meer licht de sensor op kan vangen. Heb je een f/4 lens, zet hem op f/4. Echte nachtfotografie lenzen zijn f/2.8 of zelfs nog lager. Zet hem daar dus ook op. Tenzij er zoveel licht is, denk aan menselijke verlichting of maanlicht, dan zie je ook voorgronden en kun je een grotere scherptediepte aanhouden met een iets hoger diafragmagetal. Wanneer bomen silhouetten zijn en je toch met een groothoeklens werkt, maakt het diafragmagetal weinig uit wat scherptediepte betreft in de nacht. Alles is ver weg en groothoek zorgt zelf al voor een grote scherptediepte.

Hoge ISO

Dat klinkt wat vreemd misschien want je fotografeert van statief en je sluitertijd kan zo lang zijn als je leuk vindt. Waarom dat toch een hoge ISO met risico op ruis? Ten eerst zijn de camera’s tegenwoordig zó goed dat ruis bij hoge ISO wel meevalt. Zelf werk ik graag met ISO 1600 tot 6400. Ok, het kan maar dan hoef je het toch nog niet te doen? Toch wel, en wel om twee redenen:

  1. Hoge ISO is een hoge lichtgevoeligheid en daarmee ook gevoelig voor de kleinste sterren. Met lage ISO heb je gewoon minder sterren in beeld.
  2. Door de hoge ISO kan de sluitertijd nog enigszins binnen de perken blijven en kun je je binnen de range van de gulden 500 regel blijven, zie verderop.

Lange sluitertijd

Hoe lang is lang? Dat is helemaal afhankelijk van de situatie. Met volle maan heb je heel andere waarden dan in een maanloze nacht. Meestal heb je het toch al over meerdere seconden, soms 5″, soms 30″. Het bepalen van de sluitertijd doe je op basis van twee dingen: het histogram en de ‘400 regel’.

Maximale sluitertijd: 400 regel

De aarde draait continu om zijn eigen as. Voor ons is dat niet zichtbaar maar de aarde gaat een stuk sneller dan je zou verwachten. Dat ontdek je als je in de nacht gaat fotograferen. Omdat de sterren niet draaien krijgt je bij een lange sluitertijd de draaiing van de aarde in beeld: de sterren beginnen sporen te trekken, ze zijn niet meer zichtbaar als puntjes maar als ovaaltjes of zelfs kleine streepjes. Hoe verder je inzoomt hoe sneller dit effect zichtbaar wordt .

Je kunt dus niet een oneindig lange sluitertijd gebruiken als je de sterren als stippen wilt vastleggen, een stilstaande sterrenhemel. De maximale sluitertijd zonder het draaiingseffect is dan ook afhankelijk van de gekozen brandpuntsafstand. Ook de cropfactor van je camera is van belang, immers, een kleinere sensor zorgt voor een grotere vergroting en daarmee sneller zichtbaar wordend draaiingseffect.

Er zijn diverse rekenregels ontwikkeld om te bepalen hoe lang je sluitertijd mag zijn afhankelijk van brandpuntsafstand en gebruikte camera. In de analoge tijd werkt gewerkt met de 500 regel. Met de komst van hogere resolutie digitale camera’s is deze omgevormd tot de wat conservatievere 400 regel.

Per camera en brandpuntsafstand kun je de maximaal acceptabel sluitertijd als volgt berekenen:

max. sluitertijd = 400 / (brandpuntsafstand x cropfactor )

Rekenvoorbeeld 1

Nikon D5600 APS-C camera (1,5x crop) met een 18mm brandpuntsafstand:

max. sluitertijd = 400 / (18 x 1,5) = 400 / 27 = 15″

Rekenvoorbeeld 2

Olympus OM-D E-M10 Mark II, MFT camera (Micro Four thirds, 2x crop) met een 12mm brandpuntsafstand op f/2.8:

max. sluitertijd = 400 / (2 x 12) = 400 / 24 = 16,6″ ≈  17″

Rekenvoorbeeld 3 (zie foto’s)

Canon 5D Mark IV Fullframe camera (1x crop) met een 80mm brandpuntsafstand:

max. sluitertijd = 400 / (80 x 1) = 400 / 80 = 5″

Sterrenbeeld Orion met fullframe camera en 80mm brandpuntsafstand.

100% uitsnedes van vorige beelden, je ziet dat vanaf 8″ (beter nog vanaf 13″) de sterren streepjes worden.

Ga vooraf alvast thuis rekenen met jouw eigen spullen om te kijken tot welke sluitertijd jij mag belichten voor een stilstaande sterrenhemel.

Beter: NPF regel

De 400 regel werkt eenvoudig maar is toch nog wat beperkt. Immers, de sluitertijd is ook afhankelijk van de hoek die je maakt t.o.v. het draaipunt van de aarde en de locatie op aarde. Daarnaast gaat de 400 regel uit van een soort standaard camera terwijl een camera met meer mega pixels eerder last zal krijgen van de draaiing wegens een grotere resolutie.

De ingewikkeldere NPF regel houdt wel rekening met de resolutie van je camera en werkt als volgt:

max. sluitertijd = (35 x diafragmawaarde + 30 x pixel pitch) / brandpuntsafstand

Diafragma en brandpuntsafstand zijn makkelijk in te vullen waarden, de moeilijkheid zit in de pixel pitch, maat voor resolutie (pixel per lengte eenheid). Die kun je als volgt berekenen:

Pixel pitch (in µm) = 1000 x lengte sensor (mm) / aantal pixel in de lengte

We kunnen nu dezelfde rekenvoorbeeld erbij nemen om te kijken wat de waarden van de maximale sluitertijd zijn volgens de NPF regel.

Rekenvoorbeeld 1

Nikon D5600 APS-C camera (1,5x crop) met een 18mm brandpuntsafstand op f/2.8:

pixel pitch = 1000 x 23,6mm / 4310px = 5,48 µm max. sluitertijd = (35 x 2.8 + 30 x 5,48) / 18 = 14,6 ≈  15″

Rekenvoorbeeld 2

Olympus OM-D E-M10 Mark II, MFT camera (Micro Four thirds, 2x crop) met een 12mm brandpuntsafstand op f/2.8:

pixel pitch = 1000 x 17,6mm / 4640px = 3,73 µm max. sluitertijd = (35 x 2.8 + 30 x 3,73 ) / 12 = 17,6 ≈  18″

Rekenvoorbeeld 3 (zie foto’s)

Canon 5D Mark IV Fullframe camera (1x crop) met een 80mm brandpuntsafstand op f/2.8:

pixel pitch = 1000 x 36,0mm / 6880px = 5,23 µm max. sluitertijd = (35 x 2.8 + 30 x 5,23 ) / 80 = 3,2″ ≈  3″

Als je deze berekende waarden vergelijkt met de 400 regel dan zie je dat deze redelijk overeenkomen. Hoewel de NPF regel exacter geldt kun je deze voor het gemak vervangen door de 400 regel.

Er echter zijn ook gevallen waarbij de 400 regel en NPF regel ver uit elkaar liggen. Bijvoorbeeld met een Canon 5D Mark IV op 12mm f/2.8. Volgens de 400 regel zou je dan 33,3″ mogen belichten, volgens de NPF regel slechts 21″. Dat scheelt nogal.

Tip: wil je niet met de ingewikkelde NPF regel werken, neem dan de 400 regel maar wees wat conservatief en probeer altijd iets sneller te zijn dan de berekende maximale sluitertijd.

In apps als Photopills en PlanIt worden zowel de waarden van de NPF regel als verouderde 500 regel voor jou berekend als je je camera en brandpuntsafstand opgeeft. Dan hoef je niet zelf te rekenen. Neem dan de snelste van de twee waarden om zeker te zijn!

Histogram

We weten nu binnen welke grenzen we de ISO, diafragma en sluitertijd mogen instellen. Dan rest ons nu te kijken naar een goede belichting. Zoals in het begin al is gezegd moet je de belichting nooit corrigeren  op basis van de foto want je oog met grote pupilopening maakt snel fouten. Daarom altijd het histogram bekijken. Bij een goed belichtte nachtfoto staat de grote bult in het histogram links van het midden, in de donkere kant. Als hij in het midden staat is het net een dagfoto. Maar ook niet té ver naar links want dan is de foto bijna helemaal zwart. Hoe ga je dus in zijn werk:

  1. Diafragma op laagste waarde
  2. ISO hoog (ik start vaak bij 1600)
  3. Sluitertijd op berekende waarde 500 regel
  4. Controle histogram
  5. Té licht? Dan kun je het volgende doen:
    1. sluitertijd lager
    2. diafragma hoger (grotere scherptediepte)
    3. ISO lager (risico op minder sterren)
  6. Té donker –> ISO hoger

Het is een beetje fingerspitzengefühl maar zo ziet het van een nachtfoto er ongeveer wel goed uit.

Scherpstelling

Nog zo’n drama. De autofocus werkt, net als de belichtingsmeter, zeer slecht in de nacht. Sommige camera’s kunnen tegenwoordig nog wel scherpstellen in de nacht, zeker met maanlicht of Noorderlicht, maar bij een maanloze donkere hemel doet bijna geen camerascherpstelling het meer. Dus zul je zelf aan de slag moeten. Je kunt hiervoor de volgende methoden gebruiken: Sterrenhemel –> scherpstelling op oneindig ∞. Let op: sommige lenzen hebben een oneindig maar de meeste lenzen kunnen door oneindig heen (dat heeft te maken met uitzetting onder warme omstandigheden). Dan moet je eigenlijk een klein stukje terug voor de oneindig ∞. Heeft je lens een schaalverdeling kijk dan kan het einde bij ∞ zijn of er staat een ˾  voor ∞, zie afbeelding. In dat geval is de werkelijke ∞ bij het dwarsstreepje, dus niet aan het einde van de schaalverdeling.

Heb je een lens die dóór oneindig kan dan zie je dat aan dat streepje met dwarsstreepje. Links ben je te ver, rechts is de goede oneindig.

Scherpstelling op een lichtbron. Heb je een lichtbron in het beeld, denk aan de maan of een lamp in de verte, dan kun je ook scherpstellen met de live view. Je zet je camera op live view, je ziet waarschijnlijk alles zwart… behalve dat lichtpuntje. Zoom nu digitaal in tot je het lichtbronnetje wat groter hebt en draai aan de scherpstelring: hoe kleine de lichtbron, hoe scherper hij is.

Onscherp is een lichtbron een grote vlek, hoe kleiner, hoe scherper.

Scherpstelling op iets verlichts. Als je nu een duidelijk onderwerp in de voorgrond hebt wat je scherp wil hebben, denk aan een boom, dan kun je ook besluiten deze met een grote zaklamp te beschijnen in de hoop dat hij nu zóveel verlicht wordt dat je met live view in kunt zoomen en handmatig scherp kunt stellen.

Wanneer je echt in de voorgrond scherp wil stellen, kun je dit ook even verlichten met een zaklamp en dan met live view scherpstellen.

Bahtinov filter. Laatste middel, wat vooral goed werkt met sterren, is de Bahtinov filter. Zie hier voor een uitgebreide tutorial.

Witbalans

De nacht is ‘koud’ wat kleurtemperatuur betreft. De automatische witbalans bakt er niets van en zal een veel te warme kleur geven, zeker bij veel lichtvervuiling. Werk je met een nachtfilter dan kun je redelijkerwijs daglicht als voorkeursstand aanhouden maar als je die niet hebt is de truc om een koude witbalans in te stellen. Denk aan ca. 3000K tot 3500K. Heb je geen mogelijkheid om de Kelvin waarde zelf in te stellen dan kun je ook ‘gloeilamp’ pakken, dat is de meest koude witbalans voorkeursstand die de camera heeft.

Het zelf instellen van de witbalans zorgt voor échte nachtfoto’s.

Aan de slag

Zo, nu hebben we de basis te pakken. We weten waar wee heen moeten, wanneer we moeten gaan, wat we mee moeten nemen en hoe we de camera in moeten stellen. Daarnaast zijn er allerlei speciale omstandigheden in de nacht die wat aangepaste aanpakken behoeven. Denk aan Noorderlicht, opnames van de maan, de Melkweg, deepspace fotografie of sterrensporen. De laatste behandel ik volgende week maandag en bij voldoende interesse zal ik deze reeks later nog verder uitbreiden… Succes!

Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on LinkedInEmail this to someonePrint this page

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *